Woorden van troost (8)

2020-05-06

God van compost

De bordjes ‘welkom in de buurttuin’ aan de rand van onze tuin hebben we omgedraaid. In deze tijd is die tuin gesloten; het is even geen buurttuin meer, maar gewoon de achtertuin van de woongemeenschap Taste! in de Voorhof, waar ik woon. We delen zo graag van wat we hebben – de tuin, goede koffie in ons buurtcafé, gezelligheid, vriendschap – maar nu is dat even lastig.

 De tuin ligt er onbeschaamd uitbundig bij: veelkleurige tulpen, struiken in honderd tinten groen, bloesemende fruitbomen bloesemen en ontbottende bloemen. In de moestuinbakken schiet de groente uit de grond.  Maar is één hoekje dat niet deelt in die schoonheid. Er ligt een stapel takken, een hoop snoeiafval, bladeren, stro en kippenstront en wat composttonnen. Dit is ons composthoekje.

 Toch is juist dit hoekje de bron van het leven in onze tuin. Uit deze rotzooi ontstaat compost, en op die compost leeft onze tuin. Zonder die compost zou onze door de winter beschadigde grasmat niet zo mooi groen zijn. De bloemen zouden niet zo kleurrijk groeien. We zouden geen groente en kruiden uit onze tuin kunnen eten.

 Deze tijd voelt als een tijd waarin we gesnoeid worden. Veel van wat ons leven waarde geeft ligt even stil; het directe contact, de gemeenschap waar we deel van uitmaken, soms ook ons werk, sport of school. Wat overblijft, lijkt vaak niet meer dan een rommelig hoekje, wat restjes waarin we herkennen wat een paar weken geleden nog bloeide. We worden geconfronteerd met onszelf, inclusief de lelijke kanten.

 Maar juist in die verstilde rommel kan de basis worden van nieuw leven. Deze tijd van verplichte stilstand is confronterend, maar brengt ons ook terug naar de basis. Die basis is God: in Jezus zijn we geliefde koningskinderen. En dat fundament zou wel eens vruchtbare aarde kunnen blijken te zijn.

 Als Taste! gebruiken we deze tijd van verplicht gesnoeid worden om dat fundament te herontdekken. Wie zijn we? Omdat we weten dat we daaruit mogen leven en uitdelen. Omdat uit rotzooi leven kan groeien.

 Pieter-Jan Rodenburg